Interviews? Geef mij maar een echt gesprek

Omdat ik heel openhartig was over mijn seksualiteit deed Frénk van der Linden niks met mijn antwoord over de Poolse president.

Nico Haasbroek becommentarieert wekelijks ontwikkelingen in de media.

Het interview is een interessante vorm om journalistiek in te bedrijven, maar het is ook een type gesprek dat totaal los staat van de werkelijkheid. Bij het interview zoals je dat in de krant kan lezen of via de media kan zien of horen gaat het om een strakke scheiding tussen vragen stellen en antwoord geven, terwijl in het normale leven gesprekken door elkaar lopen en onderbroken kunnen worden door lange of korte stiltes, die vaak niet zonder betekenis zijn.

Geef mij dus maar een echt gesprek, op basis van gelijkwaardigheid. Bijvoorbeeld dat ik met vragen begin en daarna mijn gesprekspartner moet antwoorden of vooral luister. Hoog tijd dat die variant tot de media doordringt. Een beetje zoals de ontspannen wijze waarop Hans Dorrestijn de afgelopen weken op de Wadden met zijn gasten praatte.

Deze week moet ik drie lange interviews met drie personen uitwerken die sleutelfiguren waren bij een cultureel initiatief dat onder de naam EI jarenlang Deventer en omgeving heeft opgevrolijkt, maar ook onveilig gemaakt. Vandaar dat ik even het thema interviewen bij de kop heb genomen. In september verschijnt het boekje ‘Hoe mooi was EI?’ waarin die lange dialogen zijn terug te lezen. (Ik weet nu al dat er anonieme lezers klaarstaan om te zeggen dat Haasbroek het weer zo nodig over zichzelf moet hebben, maar ik kan u zeggen dat de combi, van zelf vaak interviewen en veel geïnterviewd worden, behoorlijk zeldzaam is. En columns zijn nu eenmaal per definitie vaak persoonlijke ontboezemingen.)

Interviewen is leuk om te doen. Het werkt overigens alleen als zowel de vragensteller als de geïnterviewde er echt zin in hebben en bereid zijn tot een zo openhartig mogelijke woordenwisseling. Een andere voorwaarde is dat je heel goed moet kunnen luisteren. Als mensen die ik wil interviewen mij van tevoren vragen wat ik wil gaan vragen, dan breng ik ze graag in de war met de wedervraag: ‘Kunt u al vast uw antwoorden toesturen?’ Een goed interview moet alle kanten op kunnen gaan, doordat bijna ieder antwoord nieuwe vragen kan oproepen. Interviewers die een vragenlijstje afwerken en na ieder antwoord de volgende vraag van hun lijstje stellen, die neem ik niet serieus. Waarschijnlijk gaan de meeste journalisten wel zo te werk. Als er tijdens een vraaggesprek een stilte valt en jij bent als interviewer minder bang voor die stilte dan degene die je ondervraagt, dan gaat zo iemand vaak uit zichzelf onverwachte uitspraken doen, die regelmatig nieuwe informatie opleveren. Dat is ook een aardige truc.

Mijn tweelingbroer Jan en ik hebben in 2009 in Groningen een marathoninterview gedaan, 24 uur non-stop. We wandelden met een karretje met geluidsversterker door het centrum en spraken zowel onvoorbereid met raamhoeren en met pro-Palestijnse demonstranten, maar ook gingen we in café Wolthoorn & Co een geplande duo-confrontatie aan met burgemeester Jacques Wallage en Commissaris van de Koningin Max van den Berg. Het werd live door OOG uitgezonden. In onze serie Eeneiige ondervragingen in Broadcast Magazine voelden we mensen uit de wereld van de media aan de tand. Een van onze spelregels was dat als ze iets uit het gesprek wilden halen wat ze wel gezegd hadden, ze in ruil daarvoor met ander vers nieuws moesten komen.

Een van mijn mooiste interviews was dat met de Rotterdamse vakbondsman Wim Vijg. Hij leed aan asbestkanker en vroeg mij om hem op zijn sterfbed in zijn flat in Ommoord te interviewen. Dat was mij nog niet eerder overkomen. Dat iemand je vraagt om geïnterviewd te worden. Meestal is het andersom. Het was een prachtig gesprek. Ik citeer eruit: “Ik heb nooit angst gehad voor de dood. Je zou kunnen zeggen dat de Tweede Wereld Oorlog een zekere vooroefening was. Bewust doodgaan is een kwestie van volwassenheid, maar dan in de letterlijke betekenis van volgroeid. Of ik nu doodga of niet, het milieu blijft net zo bedreigd als het nu is.” Hoe denk je over de dood? Wim Vijg: ”Het meest simpele is: twee woorden.” En even later: “Doodgaan is volstrekt noodzakelijk.” Hoe ziet je mensbeeld eruit? “De mens is tot alles in staat.” Een week na ons gesprek overleed Wim.

Omgekeerd ben ik ook veel geïnterviewd. Je moet wel ijdel zijn om daaraan toe te geven, want eerlijk gezegd is dat geen prettige bezigheid. Journalisten zijn er consequent op uit je dingen te laten zeggen die je eigenlijk liever niet zegt. Als dat lukt zijn zij blij, maar de hoofdpersoon niet. Een aardig voorbeeld daarvan is het vraaggesprek in het Volkskrant magazine (7/8/2021) met Hugo de Jonge. Nathalie Huigsloot en Ariejan Korteweg vuurden daarin bewust de ene na de andere directe persoonlijke vraag op hem af, waardoor Hugo na de vraag ‘Denk je dat Sywert van Lienden in de hemel komt?’ boos de kamer uit beent om koffie te zetten. Op de foto is door zijn bruinige broek het woord hiernumaals geprojecteerd en op de witte piano schijnt de bladmuziek onderste boven te staan. Daarmee was het gewenste effect bereikt. Gefeliciteerd.

Ooit ben ik door Frénk van der Linden ondervraagd. Die was evenmin vies van enig effectbejag. Ik was toen hoofdredacteur van het NOS Journaal. Nadat ik had verteld dat ik me onder andere met de buitenland-portefeuille bezighield, vroeg hij iets van hoe de president van Polen heette. Dat wist ik niet, maar omdat ik heel openhartig was over mijn seksualiteit, deed hij niks met mijn antwoord op die vraag over de Poolse president. Dat was zijn ethische afweging: we kunnen onze gesprekspartner af laten gaan, maar als hij zich openhartig opstelt, dan matsen we hem als hij zich bij andere antwoorden vergaloppeert.

Slechts bij hoge uitzondering hield je een goed gevoel aan een interview over. Waarom ik me liet interviewen was ook omdat, als wij het bij de media van de bereidheid van anderen moeten hebben om ons te woord te staan, wij het zelf ook niet moeten laten afweten als men ons benadert. Ik bewaar wel goede herinneringen aan de lange nachtelijke radiogesprekken van Joop van Thijn met mijn tweelingbroer en mij. Daarin waren we heel openhartig zonder dat we dat als hinderlijk ervoeren. Dat zegt veel over de kwaliteit van de interviewer.

Wie ik goed vind? Ischa was goed en Theo van Gogh was goed en nu vind ik Sara Berkeljon en Coen Verbraak goed. Voor mij is een goede interviewer iemand die even goed onvoorbereid als voorbereid kan interviewen. Iemand met een oprechte nieuwsgierigheid zonder bijbedoelingen. Je gesprekspartner vriendelijk bejegenen levert meestal meer interessante informatie op dan een offensieve, effectgerichte benadering.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*